Brialmont 1859

Inleiding
Napoleon Bonaparte
Na de nederlaag van Napoleon bij Waterloo in 1815 werd Europa te Wenen opnieuw getekend. De Engelsen eisten een sterk verdedigingssysteem langs de Franse grenzen die waren teruggedrongen tot die van de periode vóór 1792. De Zuidelijke Nederlanden werden niet opnieuw onder het Oostenrijkse bewind geplaatst dat door de Fransen was naar huis gestuurd, maar samengevoegd met de Noordelijke Nederlanden. Het nieuwe land moest in staat zijn de onafhankelijkheid met eigen middelen te handhaven. Alleen zo was het Europese evenwicht gewaarborgd.
De hertog van Wellington, die met de slag van Waterloo groot gezag had verworven, maakte het plan voor de verdediging van het gebied. Hij stelde voor de oude Barrièrevestingen te behouden en ze te herstellen.

De Omwenteling van 1830 met de uiteindelijke onafhankelijkheid van België verstoorde het Europese evenwicht opnieuw.  De verdragen van 1815 moesten aangepast worden. België werd voor eeuwig neutraal en in ruil zouden de grootmachten de onafhankelijkheid garanderen. De Wellingtonbarrière werd als verdedigingssysteem behouden.

Spoedig bleek dat België het onderhoud en de modernisering van zoveel vestingen financieel niet aankon en over onvoldoende manschappen beschikte om zowel de versterkingen te verdedigen als een veldleger op de been te houden. Men zocht en vond een efficiënter verdedigingssysteem in het plan van Henri Alexis Brialmont, dat Antwerpen als Nationaal Reduit naar voor schoof. Vesting Antwerpen zou tot 1914 de basis blijven van de verdediging van België.

Het verschanst kamp van 1852
Toen er in 1848 in Frankrijk opnieuw revolutie in de lucht hing, werden de plannen voor de verdediging van België weer op tafel gelegd. Vooral het ‘concentrationisme’ vond aanhang als verdedigingssysteem. Antwerpen zou als centrum van het systeem dienen. Op 2 december 1851 pleegde Louis Napoleon in Frankrijk een staatsgreep die in 1852 leidde tot de vestiging van het tweede keizerrijk. Meteen kondigde Napoleon III de annexatie van België af. Nog voor het parlement de vereiste kredieten had goed gekeurd werd met een verschanst kamp rond Antwerpen begonnen.  Zeven aarden fortjes, niet meer dan veldversterkingen eigenlijk, bakenden het gebied af. De militaire waarde was gering. Maar omwille van de kostprijs werden verdere plannen afgewezen.
Toen Frankrijk in 1859 een oorlog begon met Oostenrijk, waren alle – vooral financiële – belemmeringen snel opgeruimd.  Op 20 juli 1859 legde legerofficier Henri-Alexis Brialmont zijn verdedigingsplan voor dat op 30 september van dat jaar werd goedgekeurd.

Antwerpen wordt Nationaal Reduit
Als centraal verdedigingspunt van het land verkoos men  Antwerpen boven Brussel. Antwerpen was al eeuwen lang een vestingstad. Onder Keizer Karel V werd er in 1542 een versterking rond de stad gebouwd na de aanvallen door de bende van de Gelderse krijgsheer Maarten van Rossum, bondgenoot van de Franse koning. Tevens kon men rond Antwerpen overstromingsgebieden voorzien. De ligging aan de Schelde bemoeilijkte bovendien blokkering door de vijand en vergemakkelijkte de bevoorrading, vooral dan vanuit Engeland. Tegelijk ging men er vanuit dat in de havenstad steeds grote voorraden aanwezig waren die mogelijk maakten dat het teruggetrokken leger een langdurig beleg kon doorstaan zelfs zonder onmiddellijke tussenkomst van buitenaf.

Het plan van Brialmont bestond uit twee grote delen. Het voorzag in een nieuwe grote omwalling voor de stad en een fortengordel op enige afstand daarvan. Zowel ten noorden als ten zuiden van de stad werden overstromingsgebieden voorzien.

De Grote Omwalling
Door de wederopbloei van Antwerpen waren de Spaanse vesten een belemmering voor de uitbreiding van stad en haven. De stad barstte uit haar drie eeuwen oude muren. Ze was dan wel zelf vragende partij om de vesten te slopen en te vervangen door een nieuwe omwalling, maar ze voelde er niet veel voor om nu als nationale schietschijf te fungeren.
De stad eiste dat alles zou gedaan worden om beschieting door een vijand te voorkomen. De Antwerpenaren hadden immers de belegering en totale vernietiging van de Oekraïense stad Sebastopol in 1855 in de kranten kunnen volgen.


De nieuwe stadsomwalling had een lengte van 15 km. In het zuiden sloot ze aan op de grachten van de 16de-eeuwse Citadel, de dwangburcht van Alva. Ze maakte een grote boog rond de stad, ongeveer op het tracé van de huidige ring. Aan de noordkant van de stad werd het Noordkasteel gebouwd, waardoor ook de nieuwe havenuitbreidingen ingesloten werden. Bij vijandelijkheden moesten in het Noordkasteel twee militaire sluizen op het Vosseschijn en het Schijn de afwatering blokkeren naar de Schelde, waardoor het noord werd onder water gezet.
In het zuiden van de stad kon een groot deel van de polders van het Kiel en van Hoboken blank gezet worden. De vier sluizen die daartoe dienden werden beschermd door de lunet van Hoboken, die echter zeer moeilijk verdedigbaar was.

Door de Grote Omwalling verzesvoudigde de omwalde oppervlakte van de stad van 242 naar 1.650 ha. De Spaanse stadsmuren verloren hun militair belang. Voor 10 miljoen Belgische frank werd de stad terug eigenaar van de vesting die ze ooit op eigen kosten had gebouwd maar die later onteigend was door de staat. Het eigendomsrecht van de citadel kreeg ze niet, want die zou nog deel uitmaken van de fortificaties. Pas tien jaar later zou ook het “vervloekte kasteel” in stadshanden komen.

Acht forten
Om de vijand ver van de stad te houden met zijn geschut, werden op vier kilometer van de omwalling acht vooruitgeschoven polygonale forten gebouwd met bijhorende erfdienstbaarheden. Deze linie liep in een bolle lijn van het Kempisch Kanaal naar de Schelde. Fort 1 lag voor het grootste gedeelte op het grondgebied van Wijnegem en voor een klein stukje op Deurne.  Het is het enige fort dat verdwenen is. Fort 2 ligt geheel in Wommelgem, fort 3 in Borsbeek en Mortsel, fort 4 in Mortsel, fort 5 in Edegem, 6 en 7 in Wilrijk. Tegen de Schelde op het grondgebied van Hoboken werd fort 8 gebouwd. De forten werden met elkaar verbonden door de Militaire Baan.
Hun ligging was weloverwogen. Fort 1 lag op de provinciale weg van Antwerpen naar Turnhout, ongeveer anderhalve kilometer verwijderd van het Kempisch kanaal en 1200 à 1500 meter achter het dorp van Wijnegem om de artillerie voldoende schootsveld te geven. Fort 4 lag in de hoek gevormd door de steenweg naar Lier en de spoorlijn Antwerpen –Brussel. Het lag op slechts 3 km van de stadswal omdat anders het schootsveld te veel op Hove, Edegem en Boechout zou liggen. Het opschuiven zou ook betekenen dat er meer forten moesten gebouwd worden. Fort 8 lag er het verst van verwijderd: 6,4 km. Het lag vóór de gemeente Hoboken omdat erachter de grond te laag gelegen was. De forten waren, op een paar details na, identiek aan elkaar.
Het gebied tussen de acht forten en de nieuwe grote omwalling bood plaats aan het Belgische veldleger om te bivakkeren bij mogelijke vijandelijkheden. In dit verschanst kamp moest het eigen leger kunnen standhouden tot de komst van de geallieerde mogendheden om vervolgens met hun steun de vijand te verdrijven van het grondgebied.

Bouw
Voor de forten moesten ongeveer 280 ha gronden onteigend worden. De bouw van het Noordkasteel, de grote omwalling en de acht forten werd toevertrouwd aan de “Compagnie Générale de Matériels des Chemins de Fer” onder leiding van François Pauwels. De werken werden in goed vier jaar voltooid en waren een gigantische onderneming. In 1861 werkten er 14.400 arbeiders, waar van 7.000 burgers, 4.900 soldaten en 2.500 steenbakkers te Niel, Bazel, Edegem en Kalmthout.  Kalk kwam uit Doornik en Rhines.
Om te voorzien in de nodige hoeveelheid hardsteen ging de Compagnie Générale over tot de exploitatie van een steengroeve in Feluy (Henegouwen). Palen en grof timmerhout haalde het bedrijf ten noorden van Antwerpen in Kapellen, Stabroek, Putte en Woensdrecht. Een maand na de start van de werken kreeg de Compagnie al af te rekenen met woekerprijzen.

De gemiddelde prijs van één fort bedroeg 2,4 miljoen frank. Er werd 13 miljoen m³ aarde verplaatst, 1 miljoen m³ baksteen gemetst (klampsteen, paapsteen en klinkaard). De totale raming van de kosten bedroeg 35 à 40 miljoen maar zouden oplopen tot 54 miljoen goudfrank. Een enorm bedrag als je bedenkt dat een metser per dag 2,5 frank verdiende om 10 uur te werken.

Arbeiders
Om over het benodigde aantal arbeiders te kunnen beschikken werden zowel burgers als militairen ingezet.  De kranten voorspelden overlast, vechtpartijen, stakingen en onlusten. Om de druk op de dorpen te verlichten, richtte de aannemer op elke bouwwerf logementen in voor de burgerarbeiders die niet uit de directe omgeving kwamen. In praktijk ging het om weinig comfortabele hutten van 4 bij 10 meter, zonder schoorsteen. Er was dan ook reëel brandgevaar. In totaal werden 274 barakken opgetrokken. Koffie, aardappelen, rijst, erwten en bonen, peper, zout en boter werden gezamenlijk aangekocht binnen de werkploegen van 20 man. Bier, jenever, brood en spek betaalde elk afzonderlijk. Ofwel kocht men die waren in de dorpswinkels aan, ofwel in de kantines en werfwinkels. Het werk was zwaar en de lonen laag. Vooral in het eerste jaar  waren er regelmatig stakingen. Wellicht zijn er daarna toegevingen gedaan om verder tijdverlies te voorkomen.
Er waren ook militaire arbeiders aan de slag. De Compagnie Générale bleek niet in staat het vereiste aantal arbeiders te ronselen en militaire arbeiders boden heel wat voordelen: geen werkverlating en geen stakingen bijvoorbeeld.
Per dag moest 8 à 10 uur gewerkt worden. Op zaterdag werd het werk van de voorbije week opgemeten en was er exercitie en inspectie van de troepen. In geval van hoogdringendheid kon het aantal werkuren opgedreven worden. Voorschriften inzake de bouwstop tussen 1 november en 15 maart werden geregeld aan de militaire laarzen gelapt.
Als werkkledij droeg de gewone soldaat een linnen vest en broek, een flanellen onderhemd en een paar stevige werklaarzen. Bij slecht weer mocht hij onder de werkkledij een laken vest en broek dragen. Zwaar en gevaarlijk werk leverde extra soldij op die grotendeels naar extra voeding en naar kleding en onderhoud ging. De soldij werd op zondagmorgen uitbetaald.

De krijgsdienstbaarheden
De wet op de krijgsdienstbaarheden of militaire servituten dateerde van begin 1815 en omvatte 3  bepalingen. 1. Het was verboden om binnen een afstand van 585 meter van het buitenste glacis van een vestingwerk huizen of muurwerk te bouwen of te herbouwen, verhogingen te maken en putten of kelders te graven. Overtreders moesten overtredingen op eigen kosten teniet doen. 2. Aanwezige constructies mochten behouden blijven tot er een bevel tot afbraak volgde. 3. De Minister van Oorlog kon toestaan om binnen de servitutenzone hutten of houten huisjes op te trekken, die echter onmiddellijk moesten afgebroken worden op kosten van de eigenaar als een bevel tot slopen volgde. De eigenaar kon geen aanspraak maken op enige schadevergoeding. Met deze maatregelen wilde men een zo open mogelijk geschutsveld creëren waarin niets het zicht belemmerde. Tegelijk wilde men vermijden dat de vijand in de nabijheid van de militaire versterkingen dekking kon zoeken.
Om en bij de 2.808 hectaren werden in Antwerpen en omliggende gemeenten met krijgsdienstbaarheden belast.

Weg met de forten!
Dat er verzet kwam tegen de wet vooral vanwege de eigenaars hoeft geen betoog. Op hun gronden mocht niets meer worden gebouwd behalve houten huisjes.  Dit leidde tot sterke waardevermindering.  Er ontstond een “Commissie van militaire erfdienstbaarheden”, die met meetings de publieke opinie tegen de forten opzette. Het leidde tot het ontstaan van de Meetingpartij die ook politiek succes boekte. In 1863 stuurden zij 4 afgevaardigden naar het parlement en Jozef Cornelis Van Put, Hobokenaar van geboorte, werd gekozen als burgemeester van Antwerpen. Leopold I weigerde hem te benoemen omwille van zijn houding tegen de forten. De Antwerpenaar weigerde daarop een standbeeld van de koning te plaatsen in de stad. Het graf van Van Put bevindt zich op de begraafplaats van Hoboken.
De Meetingpartij bleef bestaan tot 1914 en ging dan op in de katholieke partij.
In 1871 werd een aantal militaire servituten in dichtbebouwde zones opgeheven en in 1873 raakte eindelijk de verdeling van de schadevergoedingen onder de eigenaars die een schadeclaim hadden ingediend, geregeld. Het felste protest was hiermee wel afgewenteld, maar de volledige afschaffing van de wet zou pas in 1924 volgen.

Vera Caremans

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen